Archive

philosophy

For the third article in my Reading the game series, I will dive into one of my own favorite game franchises, Bethesda’s Fallout series. Once again, I will look at it from a philosophical angle, for the simple reason that philosophy is my own field, and I want to write some good pieces about it before I take on other classes. Also, that I covered a specific game doesn’t mean I won’t cover it again. On the contrary: there are plenty of games that allow for more than one class or even science to give it a take.

Spoiler warning: this article describes some plot elements from Fallout 4 and the entire Human Error questlineDo not read below this if you plan to play this game in the future.

fallout4

Read More

Advertisements

For this second Reading the game article, I will be taking a look at Deux Ex: Human Revolution, part three of the role-playing game series that started back in 2000, and will see its fourth installment, Mankind Divided, later this year. Human Revolution has some particularly interesting story elements from a philosophical perspective. This article discusses one of these elements and its potential in (philosophy) education in detail, leaving room for additional articles on some of the many elements of this game that have educational potential. Mind that this series is open to all educational applications, I merely focus on philosophy because it is my own field. I would very much like some biological (for example) perspectives on this game, so if you can provide some please don’t hesitate to get in touch.

Spoiler warning: this article describes major plot elementsDo not read below this if you plan to play this game in the future.

DEHR Header

Augmentations
If you haven’t played the game and aren’t planning to, Deus Ex: Human Revolution is a so called action role-playing game situated in Detroit, in the year 2027. Sarif Industries, the company for which you, Adam Jensen, work as head of security (official for corporate spy/detective), is one of the world-wide forerunners in augmentations, technologically sophisticated additions to or replacements of human organs that make their owners run faster, jump higher and think quicker (among many other things). The game starts with Jensen waking up after a life-saving surgery operation, now being kept alive by a wide variety of augmentations and prosthetic limbs.

Read More

Bachelorscriptie Wijsbegeerte
Universiteit Utrecht
Begeleider: dr. Jos Philips
Tweede beoordelaar: dr. Janneke van Lith
Ingediend: 08 – 07 -2013
Beoordeeld met een 7.

Bekijk het document op Academia.edu (alternatieve link)

Conclusie:
Mijn vraag was of er vanuit de collectieve benadering van mondiale rechtvaardigheid een eenheid geformuleerd kan worden die kan functioneren in een plausibele theorie van mondiale rechtvaardigheid. Ik heb laten zien dat een element kan worden geformuleerd dat genuanceerd is, maar ook weerklank heeft in de werkelijkheid. De morele staat, zoals ik dit element genoemd heb, biedt door de gedetailleerde beschrijving veel houvast voor de formulering van een plausibele theorie. Hiermee heb ik laten zien dat de gehele collectieve benadering, die wel eens gelijk lijkt te worden gesteld met Rawls’ The Law of Peoples, levensvatbaar is, ook buiten Rawls om. Sterker nog: dat deze aanzienlijke voordelen heeft ten opzichte van kosmopolitische posities.

Dit heb ik gedaan door er ten eerste van uit te gaan dat rechtvaardigheid enkel tot stand kan komen op basis van overlappende consensus tussen redelijke partijen, vanuit de constatering dat de conflicten waar een theorie voor gewenst is vaak ontstaan doordat partijen zich bemoeien met elkaars zaken zonder gedeelde uitgangspunten. Verder ben ik begonnen vanuit deze collectieve benadering, vanwege de in paragraaf drie beargumenteerde overtuiging dat kosmopolitische posities uiteindelijk sneller geneigd zullen zijn institutionele instabiliteit te veroorzaken. In paragraaf één heb ik Rawls’ law of peoples besproken als voorbeeld van een theorie die collectieven als elementen neemt. Rawls hanteert als elementen wat hij noemt ‘peoples’, een door hemzelf geopperd begrip dat drie kenmerken heeft: een institutioneel, een cultureel en een moreel aspect. Peoples zijn echter niet te rechtvaardigen als onderdeel van een ideale sociale wereld, concludeer ik in paragraaf vier uit de kritiek van Charles Beitz. Toch representeren de eigenschappen van de peoples aspecten die fundamenteel zijn in een collectieve theorie van mondiale rechtvaardigheid, hoewel Rawls’ begrip van staat, overheid en de relatie tussen die twee gewijzigd moet worden. Ik heb vervolgens zelf een alternatief concept geopperd, namelijk dat van de morele staat. De morele staat kent de (aangepaste) eigenschappen van peoples, maar sluit beter aan bij zowel de literatuur over mondiale politiek en rechtspraak als de concepten waar we zelf in de praktijk mee bekend zijn, en vereist bovendien geen grensverschuivingen of volksverhuizingen, zoals de law of peoples dat doet volgens sommige critici, waaronder Beitz.

Het concept van de morele staat biedt een uitweg uit de problemen voor Rawls’ peoples, maar heeft veel bredere consequenties. Het betekent dat er een element geformuleerd kan worden voor een theorie van mondiale rechtvaardigheid waarvan sterk verdedigd kan worden dat het ten eerste de belangen van zijn burgers vertegenwoordigt, ten tweede in redelijk overleg kan treden met andere, vergelijkbare elementen oftewel staten, en als laatste in zoverre gedeelde sympathieën kent dat ervan uit kan worden gegaan dat het institutioneel stabiel is: dat burgers van de staat in kwestie hun overheid vertrouwen, en dat ze bereid zijn (in enige mate) offers voor elkaar (landgenoten) te brengen. De vraag was naar een plausibele theorie, en hoewel de precieze uitwerking daarvan een goed onderwerp is voor vervolgonderzoek biedt het uitgangspunt al een sterk punt ten opzichte van kosmopolitische alternatieven. Er is veel voor te zeggen dat waar het kosmopolitisme worstelt met de vraag hoe de stap tussen universele principes en een concrete, rechtvaardige wereld genomen moet worden, de theorieën met een collectieve benadering laten zien dat een theorie van mondiale rechtvaardigheid naast het zijn van een coherente theoretische excercitie ook aansluiting kan hebben bij “de echte wereld”, en zo een heel eind in de buurt komt van het bieden van een oplossing voor de genoemde problemen: afbraak van de ozonlaag, etnische conflicten, oorlogen, oneerlijke concurrentie in de wereldeconomie, en er zijn vele andere. Ik hoop met dit onderzoek deze oplossing tot iets tastbaarders heb gemaakt dan het utopische idee dat het tot nu toe is.

Master’s Thesis in Applied Ethics
Utrecht University
Supervisor: dr. Stephen Riley
Second examiner: dr. Frans Brom
Submitted 30 – 06 – 2014
Graded a 7.5.

View the document on Academia.edu (alternative link)

Abstract
In this thesis I investigate the moral contents of the concept of privacy, moral contents interpreted broadly as those elements that directly concern value or a moral obligation or right, as well as those that concern the preconditions for a moral framework, and the concept of privacy understood, wherever it cannot be understood in the abstract, as it is used (in all its variety) in contemporary liberal societies.

Firstly I adopt Daniel Solove’s view that the concept of privacy is better understood in terms of family resemblance than in terms of necessary and sufficient conditions, as well as that privacy’s value is instrumental rather than intrinsic. This also leads me to the view that the moral content of privacy does not include moral obligations or rights. The concept of ‘privacy’ has no fixed content, and consequently no normative content in the sense of explicit obligations or rights. The moral content of privacy, I argue, is to be found in the existing moral frameworks that presume it. I investigate two specific moral frameworks, those of German philosopher Immanuel Kant and British philosopher and politician John Stuart Mill. In the first place, I choose specifically these frameworks because Kant and Mill have been, each in their own way, major influences not only on ethical theory, but also on the development of liberalism. Although their ideas of individual liberty and especially its relation to the state were in several respects controversial in their own times, they have been influential on and are still strongly connected to ours, that is. I link their thoughts with the different existing types of privacy (as stipulated by Finn et al.). Discussing their works, I establish two theses about the moral content of the concept of privacy.

The Kantian thesis: insofar privacy violations (as privacy violations) force a will, physically or psychologically, in its operation, and insofar privacy violations (as privacy violations) performed by the state have as a consequence that that state is no longer a means to (or: enables) freedom, Kant’s moral framework provides us with a moral reason to forbid these violations.

The Millian thesis: insofar privacy violations (as privacy violations) harm rather than promote total utility, and insofar privacy violations (as privacy violations) interfere with the sphere of liberties of a person who does not do harm to others, Mill’s moral framework provides us with a moral reason to forbid these violations.

These theses are structured alike, inquiring firstly about the consequences of the privacy violation itself, secondly about the privacy violation being performed legitimately or not, and then, thirdly, establishing whether the literature applies to it. For both frameworks, I argue, the most fruitful path is that of investigating the moral legitimation of state authority, and Kant’s and Mill’s positions can be seen as converging on at least one point, namely that they are able to show that certain specific privacy violations are wrong, not because the acts are wrong in themselves, but because of their context: the violator is the state operating outside of its moral authority.

In chapter four, I show that governments are actually violating all types of privacy (although some on a larger scale than others), and that there is thus a conflict between current practices and the moral frameworks discussed (regardless of the differing arguments underlying those positions). This suggests that certain justifications of privacy violations (like the general motivation of the protection of public health and safety) are not sufficient and should be given more substance. Governments should put more effort in demonstrating why certain privacy violations are needed, and why they weigh up against the interference with individual liberties. A rough sketch of such a proposal would be:

  1.   Assure that privacy violations are happening overtly, i.e. assure that citizens know or can know in general terms what kinds of privacy are violated and why, and do not want to find out afterwards that our governments were operating a massive espionage programme on their own citizens.
  2. Assure that privacy violations for the protection of public health and safety are non-discriminatory, i.e. assure that individuals or groups are targeted because there are strong reasons for seeing them as threats (to public health and safety, to the freedoms of others, etc.), not for any other reason.
  3.   Assure that if privacy is violated, it is done according to public laws.
  4.   Assure that privacy, if it is violated, is violated within the moral authority of the state.

Mind that this is only a rough sketch, and additionally, only concerns privacy violations by states, not by businesses. I hope my findings in this thesis can contribute to shining a light on the moral content of privacy violations by businesses in the future.

– the original assigment (Dutch version, see below) was given a 7.5/10 by Peter Sperber, under Approval of Marcus Düwell

If Immanuel Kant states that we always have to act according to maxims of which we can at the same time will that they become a Universal law, how much does his conception differ from rule-utilism? In this summarized form there seems to be not difference: both principles order a certain way of acting without looking at the consequences per act. I here want to address this question, and argue why there is a difference.

Central in Kant’s ethics is the Categorical Imperative, a universal principle that applies to all reasonable beings. “Act only according to that maxim[1] whereby you can, at the same time, will that it should become a universal law”, it states.[2] If I can not wish a maxim to be a universal law applying to all reasonable being, it cannot be moral. It is, according to Kant, the only moral obligation, because all other thinkable imperatives serve a goal, and are therefore hypothetical imperatives. As long as an act is not done from the principle of duty, it has no moral worth, even when it brings happiness to you and to the other.

Utilitarianism (utilism in short) defends the so-called greatest happiness principle, which says that the right thing to do is the act that brings as much happiness as possible to as many as possible people.[3] This almost per definition requires the use of rules, because calculating for each act what the possible consequences are is theoretically and practically impossible. Utilism knows two main conceptions on how to deal with these rules. Act-utilism says that these rules may be broken when this causes more happiness in a specific situation, rule-utilism states that one has to accept a set of rules that one is not allowed to break, even if the exception would bring more happiness about. The fact that a number of rule-utilitarians uses sub-rules that make exceptions possible indirectly is left out of consideration here, because with these sub-rules, the distinction between act- and rule-utilism blurs so much that it would make answering the question impossible.

To the question whether there is a difference between the conceptions of Kant and rule-utilism I surely can say “yes, there is.”  In short, the two seem similar because both give strict rules for moral behavior, but in essence they differ strongly.

This difference lies in the fact that rule-utilism gives rules to block the possibility of bizarre exceptions. As an act-utilitarian it would not at all be problematic to cheat on your wife if that produced more overall happiness. Richard Brandt, among others, gives this as an argument against act-utilism.[4] Although the categorical imperative does not allow exceptions in a similar way, rule-utilism gives rules with a goal in mind, where the categorical imperative is characterized by its being a goal in itself. Because rule-utilism in the end judges the morality of a set of rules (not of the rules in themselves), it is a consequentialist (also teleological) ethical theory; a theory that states that the outcomes of actions determine the moral worth. Kant’s ethical theory morally judges actions on basis of their motivations, and therefore of a fundamentally different kind, a deontological: an ethical theory based on rules, that looks at the motivated action instead of only the consequence. The rule-utilitarian thus assumes that morality is a means to general happiness, whereas Kant states that morality exists in itself, has no external purpose. It is the expressing of the free will of the person. In short: rule-utilism says that happiness is the greatest good, Kant says the good will is.

Stephen Darwall formulates the underlying normative difference as follows: the rule-utilitarian believes that together we are all responsible for everyone’s happiness, where Kant states that together we are all responsible for the conditions that are necessary for supplying everyone in what they need for living their (moral) lives.[5]

A last difference is the following: a formulation of the categorical imperative that Kant names is that you must always treat people as ends, never as means. [6] Utilism puts everything in the service of the greater happiness, through which humanity (man-hood) automatically becomes a means.

So once again, yes, Kant’s view differs widely from utilism’s. Kant’s ethical theory is first of all a deontological, not a teleological. The set of moral rules of rule-utilism is given to promote a greater good, the categorical imperative has morality as a goal in itself. Then there are some differences in, for example, how the two treat acts concerning humanity (man-hood) and the conception of the greatest good. More than enough to separate the two.


[1] Subjective principle for acting

[2] Kant, Immanuel (1997) Fundering van de Metafysica van de Zeden. Amsterdam: Boom – p. 74

[3] Mill, John Stuart (1998) On liberty and other essays. Oxford: Oxford University Press – p. 457

[4] Brandt, Richard B. (1991) Philosophical Ethics: an Introduction to Moral Philosophy. New York: McGraw Hill – p. 152

[5] Darwall, Stephen (1997) Philosophical Ethics. Oxford: Westview Press – p.168

[6] O’Neill, Onora  in Singer, Peter (1993) A Companion to Ethics. Oxford: Blackwell – p. 178-179

– the original paper (Dutch version, see below) was given a 7.8/10 by Jos Philips

In ‘Eradicating Systemic Poverty – Brief for a Global Resources Dividend’ Thomas Pogge does a proposal for resolving extreme poverty. The proposal is meant to show that “there are feasible alternatives for the current global economic order, that the choice among these alternatives makes a substantial difference to how much severe poverty there is worldwide.” Also, according to Pogge, there are strong moral reasons for making this choice. [1] These two claims will be the subject of this paper, my question will be whether Pogge’s Global Resources Dividend (from here on referred to as GRD) actually delivers, and whether it is justified. I will discuss this along the lines of the discussion about the causes of poverty, from which I take Mathias Risse’s position to assess Pogge’s proposal critically. I will state that whether the GRD is justified depends on the use that it produces (with which I mean the decrease of extreme poverty), and that Risse’s Institutional Stance (to be explained further on) gives good reasons for assuming that Pogge’s GRD is not as useful as it seems, and that with this, the moral justification falls away.

1.    Pogge’s Global Resources Dividend

 1.1.         The Moral Background

A moral duty can be positive or negative. A positive duty is a duty to do something, a negative duty is a duty to not do something. The positive duty usually asks more of the individual, takes more effort to be acted upon. It is harder to do something yourself when you witness a bad situation (someone being threatened) than it is to not do something (threatening someone yourself). The negative duty, however, “weighs” more than the positive duty. We cannot find the positive duty to help people we have nothing to do with. When someone suffers by our actions, however, most of us would say we have a heavily pressing duty to stop this action and thereby the suffering. This is the negative duty.

This is why Pogge tries to deduce a negative duty for our actions regarding extreme poverty. [2] He does this by stating that there is a global institutional order (organizations like the IMF and the WTO), that favors countries that are already relatively rich, and thereby keeps the poorer countries small. He also names other causes like corruption and the political structures of these countries , but I will return to that. It is so that, because of our being inhabitants of the countries that are members of this global institutional order, we actively cooperate in the maintaining of the poverty in the countries that have little to say in this order. We thus cause suffering actively, and because we would morally reject this in a situation closer to home, we should do the same at this level. This is the primary argument of Pogge’s “Assisting the global poor.” In ‘Eradicating systemic poverty’ he involves the claim that radical inequality in itself is already a violation of the negative duty. Pogge defines radical inequality with five conditions that have to be satisfied:

1. The worse-off are very badly off in absolute terms.

2. They are also very badly off in relative terms very much worse off than many others.

3. The inequality is impervious: it is difficult or impossible for the worse-off substantially to improve their lot; and most of the better-off never experience life at the bottom for even a few months and have no vivid idea of what it is like to live in that way.

4. The inequality is pervasive: it concerns not merely some aspects of life, such as the climate or access to natural beauty or high culture, but most aspects or all.

5. The inequality is avoidable: the better-off can improve the circumstances of the worse-off without becoming badly off themselves. [3]

But with this, we do not yet have a negative duty. That follows from a certain addition to these conditions. Further conditions follow from three different approaches to the grounds of injustice of radical inequality: (a) the effects of shared social institutions, (b) the uncompensated exclusion from natural resources and (c) the effects of a common violent history. [4]

At (a), to the list above are added the following conditions:

6. There is a shared institutional order that is shaped by the better-off and imposed on the worse-off.

7. This institutional order is implicated in the reproduction of radical inequality in that there is a  feasible institutional alternative under which such severe and extensive poverty would not persist.

8. The radical inequality cannot be traced to extra-social factors (such as genetic handicaps or natural disasters) which, as such, affect different human beings differentially. [5]

At (b), to the conditions 1-5 is added the following condition:

9. The better-off enjoy significant advantages in the use of a single natural resource base from whose benefits the worse-off are largely, and without compensation, excluded.[6]

At (c) to the conditions 1-5 is added the following condition:

10.  The social starting positions of the worse-off and the better-off have emerged from a single historical process that was pervaded by massive, grievous wrongs. [7]

However, we do not have to choose sides, because all three approaches will judge the existing radical inequality as unjust and its coercive upholding as a violation of the negative duty, and all three approaches can agree about the same feasible reform of the status quo as a major step toward justice. An example of that is the GRD. [8]

1.2.         The Global Resources Dividend

The GRD, in short, means that the ones who extensively use the earth’s natural resources have to compensate to the ones who unwillingly make little use of them. The proposal, intentionally moderate (governments maintain possession over the resources), is not drawn out in detail, but Pogge examines what effects a GRD of 0,67 percent of the global product would have on extreme poverty.[9] So that’s about the magnitude involved.

The GRD, in the first place, has to be “easy to understand and apply.” Also, it must have only a small impact on the price of goods consumed to satisfy basic needs. Also, it has to be focused on resource uses whose disencouragement is especially important for conservation and environmental protection. About the more detailed aspects, Pogge gives several directives, but I will not explain these here. No doubt one could see countless practical and philosophical problems in them, but that is not the issue here.

2.    The causes of poverty and Risse’s defense of the institutional stance

The relevant point from Risse’s paper ‘What we owe to the global poor’, which I discuss here, is the question for the causes of economic growth or the lack of it. According to Risse, there are three notable approaches of this problem:

1. Geography: Growth is primarily determined by factors such as location, climate, endowment of resources (including soils), disease burden, and thus agricultural productivity, quality of human resources, and transportation costs.

2. Integration: Growth is primarily determined by world market integration.

3. Institutions: Prosperity depends on the quality of institutions, such as stable property rights, rule of law, bureaucratic capacity, appropriate regulatory structures to curtail at least the worst forms of fraud, anti-competitive behavior, and graft, quality and independence of courts, but also cohesiveness of society, existence of trust and social cooperation, and thus overall quality of civil society. [10]

Of course Risse’s formulation of these approaches is already in the favor of the last one because of the much more distinguished definition and versatility, but that is no problem for his stance in the debate.

The wealth of countries is often dependent on multiple factors, like the other two stances and human history and choices, he admits. However, institutions are of vital importance for wealth. He concludes this from a heap of empirical data he refers to. The causality of institutions is crucial, he even says. The quality of institutions influences market integration vastly, and vice versa, and geography influences the quality of institutions. “It is mostly through their impact on institutions that geography and market integration matter without undermining the causal efficacy of institutions.” [11] So, altogether, it looks something like this: Geography has some influence on how institutions are formed. With good institutions global market integration can be set up, which influences wealth positively. However, with bad institutions, the goods that come in through market integration fall in the hands of a country’s elites and thus have no effect on overall wealth. Institutions take a central position in this scheme, and through this are crucial for the generating of wealth.

For a further defense of this Institutional Stance I refer to Risse’s paper, and for an elaboration within a broader theory I refer to John Rawls’ ‘The Law of Peoples’[12]. We have already seen Pogge giving more attention to integration than to institutions, and thus my question is what implications this view on the importance of institutions has for Pogge’s GRD, in the first place on the effects of it.

3.    The use of the GRD and the institutional stance

Before answering the question of this paragraph, I will first shortly summarize what are Pogge’s grounds for thinking that a GRD will be useful in the first place. (‘use’ defined as the effectively reducing of global poverty) Poverty is so extreme in some parts of the world, Pogge states, that only a small GRD will already make things much better than they are now. [13] Although it is the norm of the United Nations since 1970 already that members transfer 0,7percent of their national product to development aid, this is hardly happening. But let’s assume a number of richer countries would cooperate with this proposal.

“Present radical inequality is the cumulative result of decades and centuries in which the more affluent societies and groups have used their advantages in capital and knowledge to expand these advantages ever further. This inequality demonstrates the power of long-term compounding more than powerful centrifugal tendencies of our global market system. It is, then, quite possible that, if radical inequality has once been eradicated, quite a small GRD may, in the context of a fair and open global market system, be sufficient continuously to balance those ordinary centrifugal tendencies of markets enough to forestall its reemergence.[14]

I here assume “its reemergence” means something like the reappearance of extreme poverty. It’s still possible that a greater GRD is needed to eradicate extreme poverty and come to an acceptable distribution profile. This is in short why Pogge thinks a GRD would be useful.

A question that he does not address is the question where the money will end up. Will it really be used for eradicating poverty? Or will the money fall into the hands of the corrupt government or rich elite of a country? This is where Risse takes stance and (on the first question) answers “No”. We first have to make sure that the countries possess decent institutions so the country can be economically healthy and just of its own. About this, Pogge says that in some cases it might be so that the leader(s) of a country might have an interest in “keeping their subjects, destitute, uneducated, docile, dependent, and hence exploitable.” For these cases, he provides alternatives: (1) In these cases there first has to be searched for other ways to improve their conditions and chances. (2) If this is not possible, the money is better invested in a country where it does have the desired effect. (3) And even when the incentives of the GRD disbursement rules may not always be successful, they at least shift the political balance in the right direction. For a bad government, it is harder to prevent a coup when the people are supported from the outside and have interests in GRD-accelerated economic improvements under a different government. [15]

Pogge covers a wide range of objections, but I do want to make some remarks on these defenses.

(1) This shows well that the GRD as Pogge imagines it is still much undeveloped. In a decently developed GRD there will have to be a list of priorities, and more important, a final goal. Risse gives a good account of this in his theory, he shows well how far to go in the giving of aid. But whatever the goal is, the countries that may not be considered at first because there is no reasonable way of improving the situation with monetary aid will at some point in the future remain. And that is what Pogge does not consider.

(2) The problem is exactly that the countries where aid is most needed are the countries where monetary aid is least sufficient. Corruption, a strong dictatorial regime, a powerful army and little facilities is what makes it so hard to give aid efficiently, and at the same time, they are the problems for the country. When applying the GRD, people will quickly face the problem that extreme poverty is located in the countries that are hardest to help.

(3) This is a very hypothetical argument, and mainly assumes a certain sympathy for the rest of the proposal. In reality, it is so that many “bad” governments are rich enough to keep themselves in position for several years, simply by means of violence. On this point, the international community can mean a lot, but this is outside of Pogge’s proposal, and secondly, the removal of a “bad” government is no guarantee for a good new one. Besides, when GRD-money ends up in a country with a bad government like discussed earlier, the money will only remain in this country (countries like these often export more than they import), and as long as a bad government rules, the corruption and inequality will in the end only work advantageous for the ones already in power.

Pogge himself admits multiple times (implicit and explicit) that it is very important for wealth that a government functions well, and in ‘ “Assisting” the Global Poor’ he names the influence of corruption and malfunctioning governments as well. Therefore, my question is why he confines his proposal to the transferring of money, and doesn’t aim for founding good institutions. As a goal of the GRD, he simply leaves this out of view in the texts here discussed, and out of the above, I want to conclude that the GRD is by far not sufficiently developed to really prove its use, especially considering Risse’s defense of the Institutional Stance. But how about the moral arguments?

4.    The justification of the GRD and the Institutional stance

In paragraph one I discussed Pogge’s foundation for the duty to help. Pogge formulates his GRD in line with the approach of the causes of inequality that says that radical inequality is caused by the uncompensated exclusion of natural resources (b). This fits the other approaches of the causes of inequality, he says.

[16] Now the justification of the GRD depends mainly on the use it has. From the negative duty, Pogge deduces that we either have to stop taking part in the global institutional order, or that we have to compensate for the damage we do. The first is no realistic option; after all we are civilians of a country that is a member of the institutions that make up this order. So we have to compensate the damage we do, and thus we have to join in whatever does this best. This implies that, now we have seen that the GRD might not be useful in cases where the institutions in a country are of poor quality, the moral justification falls away. There is an alternative that can mean more for the global poor, potentially, that does not consist of transferring money but of building better institutions. Now we can ask ourselves whether Pogge would find it a problem when the GRD would be used to set up quality institutions. I think not, and thus it turns out that Pogge’s story has not been held in vain. Only there are good reasons to spend the money differently, and Risse’s proposal (in the vein of Rawls) is a really good candidate.


[1] Thomas Pogge, World Poverty and Human Rights, (Cambridge: Polity, 2008), 203.

[2] Pogge, “’Assisting’ the Global Poor” in The Ethics of Assistance: Morality and the Distant Needy, ed. Deen Chatterjee (Cambridge: Cambridge University Press, 2004), 263-266.

[3] Pogge, World Poverty, 204

[4] Pogge, World Poverty, 204-205

[5] Pogge, World Poverty, 205

[6] Pogge, World Poverty, 207-208

[7] Pogge, World Poverty, 209.

[8] Pogge, World Poverty, 204-205.

[9] Pogge, World Poverty, 210-211.

[10] Mathias Risse, “What we owe to the Global Poor,” Journal of Ethics, vol. 9, 84-85.

[11] Risse, Global Poor, 87.

[12] John Rawls, The Law of Peoples, (Cambridge: Harvard University Press, 2001).

[13] Pogge, World Poverty, 211.

[14] Pogge, World Poverty, 211.

[15] Pogge, World Poverty, 211-213.

[16] Pogge, World Poverty, 210.


Bibliography

Pogge, Thomas. “’Assisting’ the Global Poor.” In The Ethics of Assistance: Morality and the Distant Needy, edited by Deen Chatterjee, 260-288. Cambridge: Cambridge University Press, 2004.

—. World Poverty and Human Rights. Cambridge: Polity, 2008.

Rawls, John. The Law of Peoples, with “The Idea of Public Reason Revisited. Cambridge: Harvard University Press, 2001.

Risse, Mathias. “What we owe to the Global Poor,” Journal of Ethics, vol. 9, 81-117.

Dutch version:

In de tekst ‘Eradicating Systemic Poverty – Brief for a Global Resources Dividend’ geeft Thomas Pogge een voorstel tot het verhelpen van extreme armoede. Het voorstel is bedoeld om te laten zien dat er uitvoerbare alternatieven zijn voor de huidige globale economische orde, en dat de keuze hierin een substantieel verschil maakt voor hoeveel ernstige armoede er wereldwijd bestaat. Bovendien zijn er volgens Pogge sterke morele redenen om deze keus te maken. [1] Met de laatste twee claims zal ik me in deze tekst bezig houden: of Pogge’s Global Resources Dividend (vanaf hier verwijs ik hiernaar met GRD) iets oplevert, en of deze gerechtvaardigd is. Dit zal ik bespreken met behulp van de discussie over de oorzaken van armoede, waarvan ik Mathias Risse’s positie gebruik om Pogge’s voorstel kritisch te bekijken. Ik zal betogen dat of het GRD gerechtvaardigd is afhangt van het nut dat het oplevert (verwijzend naar de vermindering van extreme armoede), en dat aangenomen dat Risse’s Institutional stance (nader toe te lichten) goede redenen geeft om aan te nemen dat Pogge’s GRD niet zo nuttig is als het lijkt, en dat hiermee de morele rechtvaardiging ervan komt te vervallen.

1.    Pogge’s Global Resources Dividend

 1.1.         De morele achtergrond

Een morele plicht kan positief of negatief zijn. Een positieve plicht is een plicht om iets te doen, een negatieve plicht is een plicht om iets te laten. De positieve plicht vraagt normaal gesproken meer, is meestal meer moeite om op te volgen. Het is moeilijker om zelf iets te doen aan een slechte situatie die je waarneemt (iemand die op straat bedreigd wordt)dan om op straat iemand niet te bedreigen. Daar hoeft je niets voor te doen. De negatieve plicht is normaal gesproken echter zwaarder dan de positieve. Wij kunnen nergens de positieve plicht vandaan halen om mensen te helpen waar we geheel niets mee te maken hebben. Wanneer door ons handelen iemand lijdt, echter, hebben we, zo zullen de meesten van ons zeggen, een zwaar drukkende plicht om deze handeling te stoppen en hiermee dit lijden. Dit is de negatieve plicht.

Dit is waarom Pogge een negatieve plicht probeert af te leiden voor ons handelen in het licht van extreme armoede.[2] Dit doet hij door te stellen dat er een globale institutionele orde is (het gaat hier over organisaties als het IMF en de WTO), die de landen die al relatief rijk zijn bevoordeelt en zo de landen waar armoede heerst klein houdt. Hij noemt tevens andere oorzaken als corruptie en de politieke structuren van de betreffende landen, maar daar kom ik later nog op terug. In ieder geval is het zo dat, doordat wij inwoners zijn van de landen die lid zijn van deze globale institutionele orde, wij actief meewerken aan het in stand houden van de armoede in landen die in deze orde al weinig inbreng hebben. Wij veroorzaken dus actief lijden, en omdat we dit in een situatie dichter bij huis moreel zouden verwerpen, zouden we dat op deze schaal ook moeten. Dit is het primaire argument van Pogge in “Assisting the global poor.” In ‘Eradicating systemic poverty’ betrekt hij er de claim bij dat radicale ongelijkheid op zich al een schending van de negatieve plicht is. Pogge definiëert radicale ongelijkheid met vijf voorwaarden die minstens het geval moeten zijn:

1. Zij die slechter af zijn, zijn slecht af in absolute termen.

2. Ze zijn ook slecht af in relatieve termen – veel slechter dan veel anderen.

3. De ongelijkheid is onschendbaar (impervious): het is moeilijk of onmogelijk voor hen die slechter af zijn om hun positie te verberen; en de meesten van hen die beter af zijn ervaren het leven “at the bottom” nooit voor meer dan een paar maanden en hebben geen helder idee van hoe het is om op zo’n manier te leven.

4. De ongelijkheid is doordringend: het betreft niet slechts een paar aspecten van het leven zoals het klimaat of toegang tot natuurlijke schoonheid of hoge cultuur, maar de meeste of alle aspecten.

5. De ongelijkheid is vermijdbaar: zij die beter af zijn kunnen de toestand van hen die slechter af zijn verbeteren zonder zelf slecht af te zijn.[3]

Maar hiermee ontstaat nog geen negatieve plicht. Die volgt wel uit een bepaalde aanvulling hierop. Aanvullingen kunnen volgens Pogge voortkomen uit drie verschillende benaderingen van de grond van onrechtvaardigheid van radicale ongelijkheid: (a) de effecten van gedeelde sociale instituties, (b) de ongecompenseerde uitsluiting van natuurlijke bronnen en (c) de effecten van een gedeelde gewelddadige geschiedenis.[4]

Bij (a) worden aan bovenstaande lijst de volgende voorwaarden toegevoegd:

6. Er is een gedeelde institutionele orde die gevormd is door hen die beter af zijn en opgelegd is aan hen die slechter af zijn.

7. De institutionele orde is geïmpliceerd in de reproductie van radicale ongelijkheid in de zin dat er een uitvoerbaar institutioneel alternatief is waaronder zulke extreme armoede niet zal blijven bestaan.

8. De radicale ongelijkheid kan niet teruggeleid worden naar extra-sociale factoren (genetische handicaps, natuurlijke rampen) welke, als zodanig, mensen differentieel beïnvloeden. [5]

Bij (b) wordt aan voorwaarden 1-5 de volgende voorwaarde toegevoegd:

9. Zij die beter af zijn genieten bijzondere voordelen in het gebruik van een enkele “natural resource base”, met voordelen waarvan zij die slechter af zijn grootschalig en zonder compensatie uitgesloten zijn.[6]

Bij (c) wordt aan voorwaarden 1-5 de volgende voorwaarde toegevoegd:

10. De sociale startposities van hen die slechter af zijn tegenover die van hen die beter af zijn, zijn voortgekomen uit een enkel historisch proces vol massieve, pijnlijke fouten. [7]

We hoeven echter geen kant te kiezen, want alle drie de benaderingen beoordelen de bestaande radicale ongelijkheid in ieder geval als onrechtvaardig en zijn dwangmatig voortbestaan als een schending van de negatieve plicht, en alle drie de benaderingen kunnen het eens worden over dezelfde uitvoerbare hervorming van de status quo als een belangrijke stap richting rechtvaardigheid. Een voorbeeld daarvan is het GRD.[8]

1.2.         Het Global Resources Dividend

Het GRD komt er op neer dat degenen die extensief gebruik maken van de natuurlijke hulpbronnen van de aarde moeten compenseren aan degenen die daar onvrijwillig weinig gebruik van maken. Het bewust “bescheiden” voorstel (overheden blijven verder in bezit van de hulpbronnen) wordt niet in detail uitgewerkt, maar Pogge gaat na wat een afdracht van maximaal 0,67 procent van het globale product zou opleveren voor extreme armoede.[9] We moeten dus ongeveer zo’n percentage denken.

Het GRD moet ten eerste makkelijk te begrijpen en toe te passen zijn. Het moet, ten derde (Pogge lijkt de tweede eis over te slaan), slechts een kleine impact hebben op de prijs van basisbenodigdheden. Het moet tevens gefocust zijn op hulpbronnengebruik waarvan de ontmoediging belangrijk voor conservatie en milieubescherming.[10] Voor hoe het verder ingericht moet worden geeft Pogge wel richtlijnen, maar dat zal ik hier niet bespreken. Ongetwijfeld kan men hier ook praktische én filosofische problemen uit afleiden, maar daar houd ik me hier niet mee bezig.

2.    De oorzaken van armoede en Risse’s verdediging van de institutional stance

Het relevante punt uit Risse’s tekst ‘What we owe to the global poor?’ dat ik hier bespreek is de vraag wat de oorzaken zijn van economische groei of juist het gebrek daaraan. Volgens Risse zijn er drie noemenswaardige benaderingen van dit probleem:

1. Geografie: Groei is primair bepaald door factoren als locatie, klimaat, natuurlijke hulpbronnen (inclusief bodem), “disease burden” en daarmee agriculturele productiviteit, kwaliteit van menselijke hulpbronnen en transportkosten.

2. Integratie: Groei is primair bepaald door de wereldmarktintegratie.

3. Instituties: Welvaart hangt af van de kwaliteit van instituties, zoals stabiele eigendomsrechten, wetgeving, bureaucratische capaciteit, geschikte regulerende structuren om minstens de ergste vormen van fraude en anti-competitief gedrag te bekorten, “graft,” kwaliteit en onafhankelijkheid van rechtbanken maar ook maatschappelijke cohesie, de aanwezigheid van vertrouwen en sociale samenwerking en overall kwaliteit van de burgerlijke maatschappij.[11]

Natuurlijk pleit alleen Risse’s formulering van deze benaderingen al grotendeels voor de laatste door de veel genuanceerdere formulering en veelzijdigheid daarvan, maar dat hoeft geen probleem te zijn voor zijn positie. De welvaart van landen wordt vaak door meer factoren bepaald, zo geeft hij zelf ook toe, gemengd met geschiedenis en menselijke keuzes. Echter, instituties hebben een doorslaggevende rol voor welvaart, zo concludeert hij onder meer op basis van vele empirische onderzoeken die hij aanhaalt.[12] De causaliteit van instituties is cruciaal, stelt hij zelfs. Kwaliteit van instituties beïnvloedt marktintegratie aanzienlijk en vice versa, en geografie beïnvloedt de kwaliteit van instituties. Het is grotendeels “gekanaliseerd” door hun impact op instituties dat geografie en marktintegratie uitmaken zonder de causale voortvarendheid van instituties te ondermijnen. Wat er, als ik het goed begrijp, ongeveer zo uit moet zien: De geografie heeft enige invloed op hoe instituties eruit komen te zien. Echter, enkel goede instituties kunnen geografie omzetten in welvaart. Met goede instituties kan tevens globale marktintegratie in gang gezet worden, welke de welvaart verder ten goede komt. Echter, met slechte instituties komen de goederen die marktintegratie oplevert terecht bij de elite van een land en levert het qua welvaart niets op. Instituties nemen de centrale positie in, en zijn hierdoor doorslaggevend voor het genereren van welvaart.

Voor de verdere verdediging van deze Institutional stance verwijs ik naar de betreffende tekst van Risse, en voor een uitwerking binnen een bredere theorie naar John Rawls’ ‘The Law of Peoples’[13]. We hebben al gezien dat Pogge zich eerder richtte op integratie dan op instituties, en mijn vraag is dan ook wat deze kijk op het belang van instituties voor gevolgen heeft op Pogge’s GRD, allereerst in de effecten ervan.

3.    Het nut van het GRD en de institutional stance

Voordat ik de vraag van deze paragraaf beantwoord zal ik eerst kort samenvatten wat Pogge’s gronden zijn voor het denken dat een GRD überhaupt nuttig zal zijn.

Armoede is in sommige delen van de wereld zó extreem (ik noem hier geen cijfers), zegt Pogge, dat slechts een kleine afdracht al enorme veranderingen teweeg kan brengen.[14] Nu is het wel zo dat de norm van de Verenigde Naties al sinds 1970 is dat haar leden 0,7% van hun Bruto Nationaal Product afstaan aan ontwikkelingshulp, terwijl dat nauwelijks nageleefd wordt. Maar laten we ervan uitgaan dat een aantal van de rijke landen (West-Europese landen, de VS) wel aan dit voorstel zou meewerken. De huidige ongelijkheid is het cumulatieve resultaat van eeuwen waarin de meer welvarende landen en groepen hun voordelen in kapitaal en kennis hebben gebruikt om deze voordelen verder uit te breiden. Deze ongelijkheid laat de eerder kracht zien van lange termijn-“compounding” (waarbij de macht gecentreerd blijft) dan van de neiging tot het spreiden van de macht. “It is, then, quite possible that, if radical inequality has once been eradicated, quite a small GRD may, in the context of a fair and open global market system, be sufficient continuously to balance those ordinary centrifugal tendencies of markets enough to forestall its reemergence.”[15] Ik ga er hier van uit dat hij met “its reemergence” de heropkomst van extreme armoede bedoelt. Het kan nog wel zijn dat een groter GRD nodig is om armoede eerder uit te roeien en eerder tot een acceptabel distributieprofiel te komen. Dit is in ieder geval in het kort waarom Pogge denkt dat in de basis een GRD nuttig zal zijn.

Hij heeft zich echter nog niet de vraag gesteld waar het geld terecht komt. Wordt het werkelijk gebruikt voor het uitroeien van armoede? Of komt het terecht bij de corrupte overheid of al rijke elite van een land? Dit is waar Risse stelling neemt en (op de eerste vraag) “Nee” zegt. We moeten er eerst voor zorgen dat die landen fatsoenlijke instituties hebben zodat het land op zichzelf welvarend en rechtvaardig kan zijn. Pogge zegt hierover dat het in sommige gevallen zo kan zijn dat de leider(s) van een land er belang bij heeft/hebben om de inwoners berooid, ongeschoold, mak, afhankelijk en daardoor uitbuitbaar te houden. (1) In deze gevallen moet gezocht worden naar andere manieren om hun toestanden en mogelijkheden te verbeteren. (2) Mocht dit echt niet mogelijk zijn, kan het geld beter geïnvesteerd worden in een land waar het wel baat. (3) En zelfs als de stimulansen van de uitgaven van het GRD niet altijd succesvol zijn, doen ze de politieke balans in de goede richting schuiven. Voor een slechte overheid is het moeilijker om een staatsgreep te voorkomen wanneer de bevolking wordt gesteund van buitenaf en belang heeft bij GRD-versnelde economische verbeteringen onder aan andere overheid.[16]

Pogge dekt zich hier breed in tegen kritieken, maar ik wil toch enkele opmerkingen maken over deze punten.

(1) Hieruit blijkt nogal dat het GRD zoals Pogge het voorstelt een beetje rommelig is. In een fatsoenlijk uitwerking zal toch moeten komen te staan waar de prioriteiten liggen, en nog belangrijker, wat het uiteindelijke doel is. Risse werkt wat dit betreft zijn theorie netjes uit en geeft heel duidelijk aan tot waar te gaan in het bieden van hulp. Maar wat het doel ook is, de landen die in eerste instantie misschien niet in aanmerking komen omdat er geen redelijke manier is om met geld de situatie te verbeteren, zullen op een gegeven moment toch overblijven. En dat laat Pogge buiten beeld.

(2) Het probleem is juist dat de landen waar hulp het meest nodig is, de landen zijn waar financiële hulp het minste baat. Corruptie, een streng dictatoriaal regime, veel macht bij het leger en weinig voorzieningen is wat er toe leidt dat hulp moeilijk effectief te besteden is, en tegelijk zijn ze de problemen voor het land. Snel zal men bij het uitvoeren van het GRD aanlopen tegen het probleem dat extreme armoede juist heerst in de landen die moeilijk te helpen zijn.

(3) Dit is een zeer hypothetisch argument, en gaat grotendeels uit van een zekere sympathie voor de rest van het voorstel. In werkelijkheid is het zo dat het voor veel slechte overheden zo is dat men zo rijk is dat men zichzelf nog jaren in positie kan houden, simpelweg met gebruik van veel geweld. Op dit punt kan de internationale gemeenschap veel betekenen, maar dit valt ten eerste buiten Pogge’s voorstel, en ten tweede is het verwijderen van een slechte overheid nog geen garantie voor een nieuwe goede. Daarnaast is het zo dat, wanneer GRD-geld terecht komt in een land met een slechte overheid zoals zojuist besproken, dit geld binnen dit land zal blijven (deze landen exporteren vaak meer dan dat ze importeren), en zolang een slechte overheid regeert, zal dit door de corruptie en ongelijke machtsverdeling uiteindelijk toch in het voordeel werken van overheid en elite in plaats van de bevolking.

Pogge geeft in ‘Eradicating systemic poverty’ ook zelf meermalen aan (al dan niet expliciet) dat zeer belangrijk voor welvaart is dat de overheid goed functioneert, en benoemt in ‘ “Assisting” the Global Poor’ eveneens de grote invloed van corruptie en slechte overheden. Hierom is mijn vraag waarom hij het nu eigenlijk beperkt tot het storten van geld, en zich niet richt op het oprichten van goede instituties. Hij laat dit in de besproken teksten buiten beeld als doel van het GRD, en ik wil uit bovenstaande dan ook de conclusie trekken dat het GRD nog lang niet voldoende uitgewerkt is om echt te kunnen bewijzen dat het nuttig is, vooral niet in het licht van Risse’s verdediging van de institutional stance. Maar hoe zit het nu met de morele argumenten?

4.    De rechtvaardiging van het GRD en de Institutional stance

Pogge’s fundering voor de plicht om te helpen heb ik besproken in paragraaf één. Pogge formuleert zijn GRD vervolgens in lijn met de benadering van de gronden van radicale ongelijkheid die zegt dat radicale ongelijkheid veroorzaakt wordt door de ongecompenseerde uitsluiting van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen (b). Dit gaat samen met de andere benaderingen van de gronden van ongelijkheid, stelt hij.[17] Nu hangt de rechtvaardiging van het GRD grotendeels af van het nut dat het heeft. Uit de negatieve plicht leidt Pogge namelijk af dat we of onze deelname aan de globale institutionele orde moeten stoppen of dat we onze schade moeten compenseren. Het eerste is geen realistische optie, we zijn immers burger van een land dat lid is van de instituties waar deze orde uit bestaat. We moeten dus de schade die we indirect toebrengen compenseren, en moeten dus meewerken aan wat dit het beste doet. Dit impliceert dat, nu we gezien hebben dat het GRD misschien wel niet nuttig is in gevallen dat de instituties in een land van slechte kwaliteit zijn, de morele fundering vervalt. Er is een alternatief dat potentieel meer kan betekenen voor de “global poor” te vinden, dat niet bestaat uit het doneren van geld maar uit het opzetten van goede instituties. Nu kunnen we ons afvragen of Pogge er een probleem mee zou hebben wanneer het GRD gebruikt zou worden voor het opzetten van goede instituties. Ik denk het niet, en zo blijkt Pogge’s verhaal niet voor niets te zijn geweest. Er zijn alleen goede redenen om het betreffende bedrag anders te besteden, en de manier die Risse (in de lijn van Rawls) voorstelt is een goede kandidaat.


[1] Thomas Pogge, World Poverty and Human Rights, (Cambridge: Polity, 2008), 203.

[2] Pogge, “’Assisting’ the Global Poor” in The Ethics of Assistance: Morality and the Distant Needy, red. Deen Chatterjee (Cambridge: Cambridge University Press, 2004), 263-266.

[3] Pogge, World Poverty, 204

[4] Pogge, World Poverty, 204-205

[5] Pogge, World Poverty, 205

[6] Pogge, World Poverty, 207-208

[7] Pogge, World Poverty, 209.

[8] Pogge, World Poverty, 204-205.

[9] Pogge, World Poverty, 210-211.

[10] Pogge, World Poverty, 211-212.

[11] Mathias Risse, “What we owe to the Global Poor,” Journal of Ethics, vol. 9, 84-85.

[12] Risse, “Global Poor,” 87.

[13] John Rawls, The Law of Peoples, (Cambridge: Harvard University Press, 2001).

[14] Pogge, World Poverty, 211.

[15] Pogge, World Poverty, 211.

[16] Pogge, World Poverty, 211-213.

[17] Pogge, World Poverty, 210.


Bibliografie

Pogge, Thomas. “’Assisting’ the Global Poor.” In The Ethics of Assistance: Morality and the Distant Needy, redactie door Deen Chatterjee, 260-288. Cambridge: Cambridge University Press, 2004.

—. World Poverty and Human Rights. Cambridge: Polity, 2008.

Rawls, John. The Law of Peoples, with “The Idea of Public Reason Revisited. Cambridge: Harvard University Press, 2001.

Risse, Mathias. “What we owe to the Global Poor,” Journal of Ethics, vol. 9, 81-117.

– the original paper (Dutch version, see below) was given a 7.8/10 by Rob van Gerwen

            Colors, Barry Maund states in his article ‘Color’ in the Stanford Encyclopedia of Philosohpy, “are of philosophical interest for two kinds of reasons. One is that colors comprise such a large and important portion of our social, personal and epistemological lives and so a philosophical account of our concepts of color is highly desirable. The second reason is that trying to fit colors into accounts of metaphysics, epistemology and science leads to philosophical problems that are intriguing and hard to resolve. Not surprisingly, these two kinds of reasons are related. The fact that colors are so significant in their own right, makes more pressing the philosophical problems of fitting them into more general metaphysical and epistemological frameworks.”[1] I would like to add to the list of theories in which it is hard to apply a theory of color that of aesthetics. Not only are colors especially relevant for the object of aesthetics: the beautiful, but several important aesthetic theories were developed in a time when multiple definitions of color were also rapidly developing: Goethe published his book on colors Zur Farbenlehre in 1810, and later in the 19th century, physicists like Maxwell and Helmholtz confirmed the theory of Isaac Newton from the early 18th century. In this paper, I want to compare two aesthetic theories, with a focus on the notions of color of their authors. These are Immanuel Kant (1724 – 1804) and his great predecessor in aesthetics, David Hume (1711 – 1776). I will start with Kant’s distinction between the material and the formal, and will show how he (successfully) deals with a number of problems concerning color. From here, I will jump to the contemporary physical/physiological description of the process of color perception, and show that Kant’s notion of color in combination with his aesthetics, considering the contemporary definition of color, stands stronger than Hume’s, which I will also shortly explain.
In short, Kant’s analysis of the judgment of taste revolves around two things. Everyone has his/her own opinions about works of art, and people have a hard time convincing each other of the beauty of a thing. Still, there is something in judgments of taste that makes us suspect that our judgment is about more than just an opinion, there is a certain universality to it (the antinomy of taste).[2] [3] In short, the explanation lies, according to Kant, in the fact that our judgments of taste are founded on a concept, but that this concept is vague, indefinite. So we suspect that we have a grounded opinion, but we can hardly convince others that they have chosen the wrong view on a certain object of art. If we ourselves want to make a pure judgment of taste, Kant says, we have to found it on subjective purposiveness, and very importantly, make it without interest, unhindered by charm/excitement and emotion (Reiz und Rührung). Only then the judgment is pure. What  “genius” is, what true art is, what the experience of beauty and how this fits within Kant’s epistemology I will not discuss here, because for the rest of this paper, it is (highly) suggested as base knowledge, but it is not needed for my conclusion.

            Traditionally, the formal aspects of our states of mind are associated with what is communicable, not the material aspects. Therefore the grounds of a judgment of taste would in some way be formal and not material. Charm/excitement (arousement may also be a fitting translation) is more of a direct effect of the objects on us, and it requires little to no reflection from us. The communicability is of great importance, at least for Kant, and for him it is a reason to say that charm is of such a different category that it cannot play a part in stating the pure judgment of taste. It always disturbs impartiality.[4]
To clarify this problem, it is useful to repeat the distinction between primary and secondary qualities.[5] “The primary qualities of an object are properties which the object possesses independent of us — such as occupying space, being either in motion or at rest, having solidity and texture. The secondary qualities are powers in bodies to produce ideas in us like color, taste, smell and so on that are caused by the interaction of our particular perceptual apparatus with the primary qualities of the object.”[6] We may say that secondary qualities are rather less formal and communicable, and that primary qualities thus are of more relevance for our judgments of taste (for Kant, something non-communicable cannot help form a pure judgment of taste at all). [7]
Now, in the contemporary qualia debate, but also in Kant’s time there are/were theories that state(d) that secondary qualities are reducible to spatio-temporal structures: primary qualities. This debate is far from over, and the distinction between primary and secondary qualities is probably in no way as simple as the definition stated above may cause to suspect. On top of that, we are far from sure whether primary and secondary qualities are coextensive with the formal and material aspects of a work of art, so when, in forming a judgment of taste, we abstract from charm and emotion, we are still not sure whether we have abstracted from all secondary qualities.[8]

            Kant is aware that secondary qualities are possibly reducible to primary ones. This does not at all mean that this would be a weak point in his theory. If colors and tones turn out to belong to the formal aspects, says Kant, this might, consistent with his theory, simply lead to a pure judgment of taste. What we used to regard as colors and tones simply turn out to belong to the formal structure (we can form pure judgments of taste about them now), and our feelings of excitement and emotion turn out simply to be delight in the beautiful.

“If one assumes, with Euler([9], JJK), that the colors are vibrations (pulsus) of the air immediately following one another, just as tones are vibrations of the air disturbed by sound, and, what is most important, that the mind does not merely perceive, by sense, their effect on the animation of the organ, but also, by reflection, perceives the regular play of the impressions (hence the form in the combination of different representations) (about which I have very little doubt),  then colors and tones would not be mere sensations. They would be nothing short of formal determinations of the unity of a manifold of sensations, but would already be a formal determination of the unity of a manifold of them, and in that case could also be counted as beauties in themselves. [10]

From this follows that, when all secundary qualities are reducible to primary ones, we can, for example, see the colors in a painting as intrinsically beautiful. But can we then, in the description of a painting, make a distinction between colors and shapes, and if not, isn’t this problematic? And is there something more to a painting than the colors, which in fact are reducible to shapes? With the separation of formal and material aspects we could see a painting as a whole that causes two kinds of states of mind in us: formal and material. Now we treat color as causing a formal state of mind in us, en we can only see the painting as form that is color, or color that is shape. Isn’t there something that distinguishes color from form here, even with this new notion of color?

            In discussing these problems, I will not talk about tones, because for the relevant part, perception of color and sound for humans are similar.  The question we have to ask is: given a certain definition of color perception (Euler’s, for example), how does Kant’s theory deal with it?
To clarify the situation, I will first shortly describe modern color theory. When electromagnetic radiation has a wavelenght within the range of what humans can perceive, it is called ‘light’. The spectrum of light is determined by the intensity of different wavelenghts. The full spectrum of light that falls on an object determines how the object appears to us. A surface that absorbs all wavelengths fully is called ‘black,’ while a surface that reflects all wavelengths fully is called ‘white.’ Light itself has no color! Distinguishing colors is possible through three different types of cells in the retina, called ‘cones.’ Our visual acuteness is greatest in the so called yellow spot, diametrical opposite the lens. [11] [12](see figure)

Colour perception graphic

Spectral sensitivity of the three different types of cones in the retina. Data from “the Stockman & Sharpe (2000) 10° quantal cone fundamentals”; graphic by Koen B. (OpenOffice.org Calc). Source: Wikimedia Comons, license free

Color blindness can help us understand how much colors are inside of us. With color blindness, one or more types of cones do not work properly. As a result, less colors are perceived. Kant wasn’t aware of details like this, but from his perspective, it is maintainable that reflected light becomes color only when it is perceived by us, until when it is nothing more than a collection of wavelengths (like modern physicists maintain[13]). The quotation above (If one assumes, with Euler, that the colors are vibrations (pulsus) of the air immediately following one another, (…)) implies that vibrations in the air are the colors. The stated contemporary definition does not state this. It states that wavelengths that reached the eye that were perceived are colors, and that without present humans capable of visual perception, there would be no color.[14] Modern color theory does reduce colors to spatio-temporal structures, but involves human activity (perception). Thus color can be completely explained in material terms, but does not become a primary quality according to Locke’s definition because it is still dependent of us. With this definition we can still make the distinction between color and shape, because color requires activity from us, humans. There thus is no need to apply the alternative that Kant discussed with reference to Euler, and Kant’s theory corresponds with the above explained color theory perfectly.

            Someone who does get into trouble with the explained theory is Kant’s great predecessor in (among others) aesthetics: David Hume. Hume was an empiricist, and his aesthetics is greatly empirically designed. That is not of the greatest importance here, though. What matters is that Hume was, concerning colors, a subjectivist. Objectivism, concerning colors, opposes that and states that names for colors refer to qualities in reality. Hume, on the other hand, believed that we project colors on reality, and that names for colors do not refer to objects in that reality. It follows from his skeptical position that he was extra careful with deriving “truths” from the empirical. Colors are objects of our perception, but there is nothing we can deduce from that they are properties of the objects.
Hume’s empirical aesthetics concern, in short, emotions caused by objective properties, properties we can discuss, while our emotions remain subjective. A judgment of taste expresses an emotion, a sentiment of beauty. An object has certain objective qualities that, through perception in the spectator, cause a certain emotion, that makes him/her attribute a certain quality to the object. A judgment of taste depends on the concepts with which the object is named and on the kind of beauty that is perceived in it.[15] After experiencing the sentiment of beauty, what we call the search for intelligibility takes place, and finally we want to communicate our judgments.

            However, just like the way Hume’s notion of colors and the contemporary theory stated simply contradict, Hume’s aesthetics, with which we are concerned here, is hardly thinkable with a theory that in such a way assumes an origin of color perception in “reality.” One of Hume’s most widely known objections on empirical science was that causality, he said, in itself is not derivable. When frequently perceiving the same series of events, we gain some sort of habit. This happens strictly in our minds. We derive nothing from external reality.[16] Without causality’s certainty, we don’t have the certainty of the truth of the theory described. Hume’s aesthetics can’t be imagined with a description of color that fully contradicts his epistemology. When we assume one thing as true, we undermine the other thing, and vice versa.
What becomes clear is at least that the theories of Hume and Kant, as far as this goes, are of different kinds. Kant gives an aesthetic theory that distinguishes formal and material aspects. Although this might not seem plausible in all contexts, Kant is prepared for a changing definition of color (and sound) perception. Hume, on the contrary, makes assertions on color perception that is safe as long as we accept his remarks on deriving knowledge from reality. However, we can’t just grab a new definition of color that assumes we can derive knowledge from reality, and insert it in his theory.
Hume’s skepticism, and his refusing to acknowledge that colors (partly) have their origin in reality is a well defendable position, but incompatible with the modern scientific that says that colors are our perceptions of reflected light. As far as concerns the strictly argumentative maintainability, we better knock at Hume’s door. But when we are looking for a theory (from that period, at least) that is able to deal with physical/physiological development of the following decennia, (which are not to be disregarded, to say the least) Kant seems to be the better option.


[1] Barry Maund, “Color,” The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2008 Edition), ed. Edward N. Zalta, URL = <http://plato.stanford.edu/archives/fall2008/entries/color/&gt; (2 oktober 2011)

[2] Rob van Gerwen, Kennis in Schoonheid – Een inleiding in de moderne esthetica (Amsterdam: Boom Meppel, 1992), 67 – 68.

[3] For a detailed treatment of this problem see Wenzel, Kant’s Aesthetics, 121 – 122.

[4] Christian Helmut Wenzel, An Introduction to Kant’s Aesthetics – Core Concepts and Problems (Oxford: Blackwell Publishing, 2005), 60 – 61.

[5] Robert Boyle introduced the terms “primary qualities” and “secondary qualities.” In philosophy, the terminology is most often associated with John Locke.

[6] William Uzgalis, “John Locke”, The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2010 Edition), ed. Edward N. Zalta, URL = <http://plato.stanford.edu/archives/win2010/entries/locke/&gt; (1 oktober 2011).

[7] Wenzel, Kant’s Aesthetics, 63.

[8] Wenzel, Kant’s Aesthetics, 63 – 64.

[9] Leonhard Euler (1707 – 1783) was a Swiss physicist and mathematician.

[10] Immanuel Kant, Critique of the Power of Judgment, 6th ed., transl. Paul Guyer & Eric Matthews (New York: Cambridge University Press, 2001), 109.

[11] R. W. G. Hunt & M. R. Pointer, Measuring Color, 4th ed. (Chichester: John Wiley & Sons, 2011). 1 – 15.

[12] Bruce MacEvoy, “Light and the eye,” URL = <http://www.handprint.com/HP/WCL/color1.html#constraints&gt; (2 oktober 2011).

[13] Hunt & Pointer, 1.

[14] Hunt & Pointer, 1.

[15] Van Gerwen, Kennis in Schoonheid, 44 – 45.

[16] David Hume, “An Enquiry concerning human understanding,” URL = < http://18th.eserver.org/hume-enquiry.html > (3 oktober 2011).

Bibliography

 Gerwen, van, Rob. Kennis in Schoonheid – Een inleiding in de moderne esthetica. Amsterdam: Boom Meppel, 1992.

Hume, David. “An enquiry concerning human understanding.” URL = <http://18th.eserver.org/hume-enquiry.html&gt; (last visited 3 oktober 2011).

Hume, David. “Of the standard of taste.”  URL = <http://academic.evergreen.edu/curricular/IBES/files/taste_hume.pdf&gt; (geraadpleegd 30 september 2011).

Hunt, R. W. G.  & Pointer, M. R. Measuring Color, 4th  ed. Chichester: John Wiley & Sons, 2011. 1st ed. 1987.

Kant, Immanuel. Critique of the Power of Judgment, 6th  ed. Transl. by Paul Guyer & Eric Matthews. New York: Cambridge University Press, 2001. 109. 1st  ed. 2000.

Maund, Barry. “Color.” The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2008 Edition), ed. Edward N. Zalta. URL = <http://plato.stanford.edu/archives/fall2008/entries/color/&gt; (geraadpleegd 2 oktober 2011)

Uzgalis, William. “John Locke.” The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2010 Edition), ed. Edward N. Zalta. URL = <http://plato.stanford.edu/archives/win2010/entries/locke/&gt; (geraadpleegd 1 oktober 2011).

Wenzel, Christian Helmut. An Introduction to Kant’s Aesthetics – Core Concepts and Problems. Oxford: Blackwell Publishing, 2005.

Dutch version:

Kleuren, zo leidt Barry Maund zijn artikel ‘Color’ in de Stanford Encyclopedia of Philosohpy in, zijn filosofisch interessant om twee soorten redenen. De een is dat kleuren een groot en belangrijk deel beslaan van onze sociale, persoonlijke en epistemologische levens, daarom is een theorie van onze concepten van kleuren zeer wenselijk. De ander is dat het proberen in te passen van kleuren in metafysische, epistemologische en wetenschappelijke theorieën leidt tot serieuze filosofische problemen die intrigerend en moeilijk op te lossen zijn.[1] Ik zou aan het rijtje soorten theorieën waarin het moeilijk is een theorie van kleuren toe te passen graag de esthetische toevoegen. Niet alleen zijn kleuren natuurlijk zeer relevant voor het object van de esthetica: het schone, maar meerdere zeer belangrijke esthetische theorieën werden ontwikkeld in een tijd waarin meerdere definities van kleur rondzwierven en ook volop in ontwikkeling waren: Goethe bracht in 1810 zijn boek over kleuren Zur Farbenlehre uit, en later in de 19e eeuw deden natuurkundigen als Maxwell en Helmholtz werk dat de eerdere theorie van Isaac Newton uit het begin van de 18e eeuw bevestigde.

In deze paper wil ik twee esthetische theorieën vergelijken, met behulp van de kleurbegrippen van de betreffende auteurs. Deze auteurs zijn Immanuel Kant (1724 – 1804) en diens grote voorganger op het gebied van de esthetica, David Hume (1711-1776). Ik zal beginnen met Kant’s onderscheid tussen het materiële en het formele, en laat zien hoe hij (succesvol) met een aantal problemen betreffende kleur omgaat. Vanuit dit verhaal maak ik een sprong naar de huidige natuurkundige/fysiologische beschrijving van het proces van de kleurervaring, en laat ik zien dat deze netjes in Kant’s theorie inpast. Vervolgens behandel ik Hume’s positie in de esthetica en welke rol hij kleur daarin geeft, om tot de conclusie te komen dat Kant’s begrip van kleur in combinatie met zijn esthetica in het licht van onze hedendaagse definitie van kleur sterker staat dan dat van Hume.

In het kort draait Kant’s analyse van het smaakoordeel om twee dingen. Ieder heeft over kunstwerken zijn eigen mening, en mensen kunnen elkaar maar moeilijk overtuigen. Toch is er iets in smaakoordelen wat ons doet vermoeden dat ons oordeel meer dan slechts een mening betreft, er kleeft een zekere universaliteitaanspraak aan (de antinomie van de smaak).[2] De verklaring daarvoor ligt volgens Kant bij het feit dat onze smaakoordelen gefundeerd zijn op een begrip, maar dat dit begrip onbepaald is. Hierdoor vermoeden we wel dat we een gefundeerde mening hebben, maar kunnen we anderen toch moeilijk overtuigen dat zij het verkeerde standpunt hebben gekozen ten opzichte van een bepaald kunstobject. Als wij zelf een zuiver smaakoordeel willen vellen, zegt Kant, moeten we dat funderen op subjectieve doelmatigheid, en het verder volstrekt belangeloos doen, en ongehinderd door opwinding en ontroering. Alleen dan is het oordeel puur. Wat genialiteit is, wat ware kunst is, wat de ervaring van schoonheid inhoud en hoe dit past binnen Kant’s kenleer bespreek ik hier niet, omdat het voor de rest van mijn paper slechts als achtergrondkennis vereist is en niet concreet aan bod komt.

Traditioneel gezien worden de formele aspecten van onze geestestoestanden (states of mind) en niet de materiële geassocieerd met wat communiceerbaar is. Daarom zouden de funderingsgronden van een smaakoordeel op eniger manier formeel zijn en niet materieel. Opwinding is meer een direct effect van de objecten op ons, en vereist weinig tot geen reflectie van onze kant. De communiceerbaarheid is van groot belang, althans voor Kant, en voor deze is dit dan ook een reden om te zeggen dat opwinding van een zo andere categorie is dat het geen rol kan spelen in het pure smaakoordeel. Opwinding zit altijd de onpartijdigheid in de weg.[3]

Om het probleem te verduidelijken is het handig het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten te herhalen.[4] Primaire kwaliteiten zijn de kwaliteiten van een object (structuur, massa) die onafhankelijk zijn van ons, secundaire kwaliteiten de krachten in objecten om ideeën in ons te produceren als smaak, kleur, reuk en dergelijke.[5] Bij Kant kunnen we dan zeggen dat secundaire kwaliteiten minder formeel en communiceerbaar zijn, en dat daarom de primaire kwaliteiten eerder relevant zijn voor smaakoordelen (iets wat niet communiceerbaar is kan volgens Kant überhaupt geen rol spelen in het smaakoordeel).[6]

Nu, in het huidige qualia-debat, maar ook al in Kant’s tijd, zijn/waren echter theorieën te vinden die stellen dat secundaire kwaliteiten te reduceren zijn tot spatio-temporele structuren: primaire kwaliteiten. Dit debat is nog lang niet besloten, en het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten is dan ook lang zo besloten niet als de zojuist gegeven simpele definitie doet vermoeden. Bovendien, we zijn ook lang niet zeker of primaire en secundaire kwaliteiten samenvallen met respectievelijk de formele en materiële aspecten van een kunstwerk, dus als we in het vormen van een oordeel abstraheren van opwinding en ontroering, zijn we nog steeds niet zeker of we geabstraheerd hebben van alle secundaire kwaliteiten.[7]

Kant is zich er bewust van dat secundaire kwaliteiten mogelijk reduceerbaar zijn tot primaire. Dit betekent nog niet dat dit een zwak punt is in zijn theorie. Als kleuren en tonen eigenlijk tot de formele aspecten behoren, stelt Kant, kan dat, consistent met zijn theorie, gewoon leiden tot een zuiver smaakoordeel. Wat we voorheen als kleuren en tonen beschouwden, blijken nu enkel tot de formele structuur te behoren (we kunnen er nu wel zuivere smaakoordelen over vormen), en onze gevoelens van opwinding en ontroering blijken slechts genoegen in het schone te zijn.

“If one assumes, with Euler([8], JJK), that the colors are vibrations (pulsus) of the air immediately following one another, just as tones are vibrations of the air disturbed by sound, and, what is most important, that the mind does not merely perceive, by sense, their effect on the animation of the organ, but also, by reflection, perceives the regular play of the impressions (hence the form in the combination of different representations) (about which I have very little doubt),  then colors and tones would not be mere sensations. They would be nothing short of formal determinations of the unity of a manifold of sensations, but would already be a formal determination of the unity of a manifold of them, and in that case could also be counted as beauties in themselves. [9]

Hieruit volgt dat, wanneer alle secundaire kwaliteiten tot primaire te reduceren zijn, we in bijvoorbeeld een schilderij de kleuren wel kunnen zien als intrinsieke schoonheden. Maar kunnen we dan in de beschrijving van een schilderij nog wel onderscheid maken tussen de kleuren en de vorm, en zo nee, is dit niet problematisch? En is er dan nog wel iets anders aan een schilderij dan kleur, die dus eigenlijk vorm is? Met de scheiding van formele en materiële aspecten konden we een schilderij zien als een geheel dat twee soorten geestestoestanden in ons voortbrengt: formeel en materieel. Nu behandelen we de kleur als formele geestestoestanden in ons voortbrengend, en kunnen we het schilderij enkel nog zien als vorm die kleur is, of juist als kleur die vorm is. Blijft er niet iets wat kleur op dit gebied onderscheidt van vorm, ook met deze nieuwe kijk op kleur?

In het uitwerken van deze problemen beperk ik mij tot kleuren en laat ik tonen buiten beschouwing, omwille van de hoeveelheid beschikbare ruimte en omdat voor zover nodig de waarneming van kleur en geluid bij de mens vergelijkbaar is. De vraag die we ons moeten stellen is: gegeven een bepaalde definitie van kleurervaring (bijvoorbeeld die van Euler), hoe gaat Kant’s theorie hiermee om? Kant’s uitleg van wat het zou betekenen als secundaire eigenschappen tot primaire reduceerbaar zouden zijn, is van een als-dan-soort, en is dus meer een soort troef die Kant achter de hand hield voor het geval een opvatting als die van Euler de juiste zou blijken te zijn.

Om de situatie beter uit te leggen, geef ik eerst een korte beschrijving van moderne kleurtheorie. Wanneer elektromagnetische straling een golflengte binnen de voor mensen waarneembare grens heeft, wordt deze ‘licht’ genoemd. Het spectrum van het licht wordt bepaald door de intensiteit van de verschillende golflengten. Het volledige spectrum van het binnenkomende licht bij een object bepaalt hoe het object aan ons verschijnt. Een oppervlak dat alle golflengten volledig absorbeert, wordt zwart genoemd. Een voorwerp dat alle golflengten volledig weerkaatst, wordt wit genoemd. Licht heeft zelf geen kleur! Het onderscheiden van kleuren is mogelijk dankzij drie verschillende typen lichtgevoelige cellen in het netvlies (Cones in het Engels, kegeltjes in het Nederlands). Onze gezichtsscherpte is het grootst in de zogeheten gele vlek, diametraal tegenover het midden van de lens van het oog.[10] [11] (zie figuur)

Kleurenblindheid kan ons helpen begrijpen in hoeverre kleuren zich buiten dan wel binnen ons bevinden. Bij kleurenblindheid functioneren één of meer typen kegeltjes niet goed, waardoor minder kleuren worden waargenomen. Kant was zich in zijn tijd nog niet bewust van het fijne van de kleurervaring, maar vanuit zijn perspectief is houdbaar dat weerkaatst licht pas kleur wordt zodra het door ons wordt waargenomen, en het tot die tijd slechts een verzameling golflengtes is (gelijk aan de positie van de hedendaagse natuurkunde[12]). Het hierboven gegeven citaat (If one assumes, with Euler, that the colors are vibrations (pulsus) of the air immediately following one another, (…)) impliceert namelijk dat de trillingen in de lucht de kleuren zijn. De hierboven gegeven moderne kleurtheorie stelt dit niet. Deze stelt dat waargenomen ontvangen golflengtes kleuren zijn, en dat zonder aanwezigen in staat tot visuele waarneming er geen kleur zou zijn.[13] Moderne kleurtheorie reduceert kleuren wél tot spatio-temporele structuren, maar betrekt hier wel menselijke activiteit (waarneming) bij. Kleur is dus wel volledig materialistisch uit te leggen, maar wordt volgens Locke’s definitie géén primaire kwaliteit omdat het nog steeds afhankelijk is van ons. Met deze definitie kunnen we nog steeds het onderscheid maken tussen kleur en vorm, omdat kleur toch enige activiteit van ons, de mens, vereist. Het alternatief dat Kant met referentie aan Euler bespreekt is dus helemaal niet van toepassing, en Kants theorie valt zonder problemen samen met boven uitgelegde kleurtheorie.

Iemand die eerder in de problemen komt met de zojuist beschreven theorie is Kant’s grote voorganger op het gebied van (onder meer) de esthetica: David Hume. Hume was een empirist, en ook zijn esthetica is sterk empiristisch beïnvloed. Dat is hier echter niet van het grootste belang. Hume was namelijk, wat kleuren betreft, een subjectivist. Het objectivisme, op dit gebied, staat daar tegenover en houdt de theorie in die zegt dat namen voor kleuren verwijzen naar kwaliteiten in de werkelijkheid. Hume daarentegen geloofde dat wij kleuren projecteren op de werkelijkheid, en dat namen voor kleuren dan ook niet verwijzen naar objecten in die werkelijkheid. Het volgt uit zijn sceptische houding dat hij uiterst voorzichtig is met het afleiden van “waarheden” uit het empirische. Kleuren zijn zeker objecten van onze waarneming, maar we kunnen nergens uit afleiden dat ze ook echt eigenschappen van de objecten zijn.

Hume’s empiristische esthetica gaat, kort gezegd, over emoties veroorzaakt door objectieve eigenschappen, eigenschappen waar we vervolgens over kunnen twisten, terwijl onze emoties subjectief blijven. Een smaakoordeel drukt een schoonheidsemotie uit. Een object heeft bepaalde objectieve kwaliteiten die via de gewaarwording in de toeschouwer een bepaalde emotie veroorzaken, op grond waarvan deze aan het object een bepaalde kwaliteit toeschrijft. Een smaakoordeel hangt af van de concepten waarmee het object benoemd wordt en van de soort schoonheid die erin wordt waargenomen.[14] Na het ervaren van de schoonheidsemotie vindt mogelijk plaats wat we de zoektocht naar intelligibiliteit (begrijpelijkheid) noemen, en uiteindelijk willen we over onze oordelen communiceren.

Echter, net zo als dat Hume’s kijk op kleuren en bovenstaande theorie simpelweg niet samen gaan, is Hume’s esthetica, waar we het hier over hebben, bijna niet te denken met een theorie die zodanig uitgaat van een oorsprong van kleurervaring in de fysieke werkelijkheid. Een van Hume’s bekenste bezwaren tegen de empirische wetenschap was juist dat causaliteit, zei hij, op zichzelf niet af te leiden valt. Wat we doen bij het meermaals waarnemen van dezelfde opeenvolging van gebeurtenissen, is het vormen van een soort gewoonte. Dit gebeurt dus strikt in onze geest. We leiden niets af uit de werkelijkheid. [15] Wanneer we dus de zekerheid van causaliteit niet hebben, hebben we eveneens de zekerheid van de waarheid van de hierboven beschreven kleurtheorie niet. Hume’s esthetica is amper in te denken met een beschrijving van kleur die volledig tegen zijn epistemologie ingaat. Wanneer we het ene als waar aannemen, ondermijnen we het andere, en andersom.

Wat duidelijk wordt is in ieder geval dat de theorieën van Hume en Kant wat dit betreft van een hele andere orde zijn. Kant geeft een esthetische theorie die formele en materiële soorten geestestoestanden onderscheidt. Hoewel dit niet in alle contexten even plausibel zal overkomen, is Kant wel voorbereid op een mogelijk veranderende definitie van kleurervaring (en geluidservaring). Hume daarentegen, doet een uitspraak over kleurervaring die veilig is zolang we zijn opmerkingen over het afleiden van kennis uit de werkelijkheid accepteren. Echter, we kunnen niet zomaar een vernieuwde definitie van kleurervaring pakken die ervan uitgaat dat we wel kennis kunnen afleiden uit de werkelijkheid, en deze in zijn theorie inpassen.

Hume’s scepticisme, dat als logisch gevolg heeft dat hij van kleuren niet erkent dat ze deels hun oorsprong in de werkelijkheid hebben, is een goed houdbare positie, maar incompatibel met de natuurkundige visie die zegt dat kleuren onze waarnemingen van weerkaatst licht zijn. Voor zover het de strikt argumentatieve houdbaarheid aangaat, kunnen we dus wellicht beter bij Hume aankloppen. Maar als we zoeken naar een theorie (uit die periode) die om weet te gaan met de natuurkundige/fysiologische ontwikkelingen van de volgende decennia (welke toch zeker niet mis zijn) blijkt Kant de beste keuze.


[1] Barry Maund, “Color,” The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2008 Edition), red. Edward N. Zalta, URL = <http://plato.stanford.edu/archives/fall2008/entries/color/&gt; (2 oktober 2011)

[2] Rob van Gerwen, Kennis in Schoonheid – Een inleiding in de moderne esthetica (Amsterdam: Boom Meppel, 1992), 67 – 68.

[3] Christian Helmut Wenzel, An Introduction to Kant’s Aesthetics – Core Concepts and Problems (Oxford: Blackwell Publishing, 2005), 60 – 61.

[4] Robert Boyle introduceerde de termen “primary qualities” en “secondary qualities.” In de filosofie wordt de terminologie vooral geassocieerd met John Locke.

[5] William Uzgalis, “John Locke”, The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2010 Edition), red. Edward N. Zalta, URL = <http://plato.stanford.edu/archives/win2010/entries/locke/&gt; (1 oktober 2011).

[6] Wenzel, Kant’s Aesthetics, 63.

[7] Wenzel, Kant’s Aesthetics, 63 – 64.

[8] Leonhard Euler (1707 – 1783) was een Zwitsers wis- en natuurkundige.

[9] Immanuel Kant, Critique of the Power of Judgment, 6e dr., vert. Paul Guyer & Eric Matthews (New York: Cambridge University Press, 2001), 109.

[10] R. W. G. Hunt & M. R. Pointer, Measuring Colour, 4e dr. (Chichester: John Wiley & Sons, 2011). 1 – 15.

[11] Bruce MacEvoy, “Light and the eye,” URL = <http://www.handprint.com/HP/WCL/color1.html#constraints&gt; (2 oktober 2011).

[12] Hunt & Pointer, 1.

[13] Hunt & Pointer, 1.

[14] Van Gerwen, Kennis in Schoonheid, 44 – 45.

[15] David Hume, “An Enquiry concerning human understanding,” URL = < http://18th.eserver.org/hume-enquiry.html > (3 oktober 2011).

Bibliografie

Gerwen, van, Rob. Kennis in Schoonheid – Een inleiding in de moderne esthetica. Amsterdam: Boom Meppel, 1992.

Hume, David. “An enquiry concerning human understanding.” URL = <http://18th.eserver.org/hume-enquiry.html&gt; (geraadpleegd 3 oktober 2011).

Hume, David. “Of the standard of taste.”  URL = <http://academic.evergreen.edu/curricular/IBES/files/taste_hume.pdf&gt; (geraadpleegd 30 september 2011).

Hunt, R. W. G.  & Pointer, M. R. Measuring Colour, 4e dr. Chichester: John Wiley & Sons, 2011. 1e dr. 1987.

Kant, Immanuel. Critique of the Power of Judgment, 6e dr. Vertaald door Paul Guyer & Eric Matthews. New York: Cambridge University Press, 2001. 109. 1e dr. 2000.

Maund, Barry. “Color.” The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2008 Edition), red. Edward N. Zalta. URL = <http://plato.stanford.edu/archives/fall2008/entries/color/&gt; (geraadpleegd 2 oktober 2011)

Uzgalis, William. “John Locke.” The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2010 Edition), red. Edward N. Zalta. URL = <http://plato.stanford.edu/archives/win2010/entries/locke/&gt; (geraadpleegd 1 oktober 2011).

Wenzel, Christian Helmut. An Introduction to Kant’s Aesthetics – Core Concepts and Problems. Oxford: Blackwell Publishing, 2005.