Archive

thesis

Bachelorscriptie Wijsbegeerte
Universiteit Utrecht
Begeleider: dr. Jos Philips
Tweede beoordelaar: dr. Janneke van Lith
Ingediend: 08 – 07 -2013
Beoordeeld met een 7.

Bekijk het document op Academia.edu (alternatieve link)

Conclusie:
Mijn vraag was of er vanuit de collectieve benadering van mondiale rechtvaardigheid een eenheid geformuleerd kan worden die kan functioneren in een plausibele theorie van mondiale rechtvaardigheid. Ik heb laten zien dat een element kan worden geformuleerd dat genuanceerd is, maar ook weerklank heeft in de werkelijkheid. De morele staat, zoals ik dit element genoemd heb, biedt door de gedetailleerde beschrijving veel houvast voor de formulering van een plausibele theorie. Hiermee heb ik laten zien dat de gehele collectieve benadering, die wel eens gelijk lijkt te worden gesteld met Rawls’ The Law of Peoples, levensvatbaar is, ook buiten Rawls om. Sterker nog: dat deze aanzienlijke voordelen heeft ten opzichte van kosmopolitische posities.

Dit heb ik gedaan door er ten eerste van uit te gaan dat rechtvaardigheid enkel tot stand kan komen op basis van overlappende consensus tussen redelijke partijen, vanuit de constatering dat de conflicten waar een theorie voor gewenst is vaak ontstaan doordat partijen zich bemoeien met elkaars zaken zonder gedeelde uitgangspunten. Verder ben ik begonnen vanuit deze collectieve benadering, vanwege de in paragraaf drie beargumenteerde overtuiging dat kosmopolitische posities uiteindelijk sneller geneigd zullen zijn institutionele instabiliteit te veroorzaken. In paragraaf één heb ik Rawls’ law of peoples besproken als voorbeeld van een theorie die collectieven als elementen neemt. Rawls hanteert als elementen wat hij noemt ‘peoples’, een door hemzelf geopperd begrip dat drie kenmerken heeft: een institutioneel, een cultureel en een moreel aspect. Peoples zijn echter niet te rechtvaardigen als onderdeel van een ideale sociale wereld, concludeer ik in paragraaf vier uit de kritiek van Charles Beitz. Toch representeren de eigenschappen van de peoples aspecten die fundamenteel zijn in een collectieve theorie van mondiale rechtvaardigheid, hoewel Rawls’ begrip van staat, overheid en de relatie tussen die twee gewijzigd moet worden. Ik heb vervolgens zelf een alternatief concept geopperd, namelijk dat van de morele staat. De morele staat kent de (aangepaste) eigenschappen van peoples, maar sluit beter aan bij zowel de literatuur over mondiale politiek en rechtspraak als de concepten waar we zelf in de praktijk mee bekend zijn, en vereist bovendien geen grensverschuivingen of volksverhuizingen, zoals de law of peoples dat doet volgens sommige critici, waaronder Beitz.

Het concept van de morele staat biedt een uitweg uit de problemen voor Rawls’ peoples, maar heeft veel bredere consequenties. Het betekent dat er een element geformuleerd kan worden voor een theorie van mondiale rechtvaardigheid waarvan sterk verdedigd kan worden dat het ten eerste de belangen van zijn burgers vertegenwoordigt, ten tweede in redelijk overleg kan treden met andere, vergelijkbare elementen oftewel staten, en als laatste in zoverre gedeelde sympathieën kent dat ervan uit kan worden gegaan dat het institutioneel stabiel is: dat burgers van de staat in kwestie hun overheid vertrouwen, en dat ze bereid zijn (in enige mate) offers voor elkaar (landgenoten) te brengen. De vraag was naar een plausibele theorie, en hoewel de precieze uitwerking daarvan een goed onderwerp is voor vervolgonderzoek biedt het uitgangspunt al een sterk punt ten opzichte van kosmopolitische alternatieven. Er is veel voor te zeggen dat waar het kosmopolitisme worstelt met de vraag hoe de stap tussen universele principes en een concrete, rechtvaardige wereld genomen moet worden, de theorieën met een collectieve benadering laten zien dat een theorie van mondiale rechtvaardigheid naast het zijn van een coherente theoretische excercitie ook aansluiting kan hebben bij “de echte wereld”, en zo een heel eind in de buurt komt van het bieden van een oplossing voor de genoemde problemen: afbraak van de ozonlaag, etnische conflicten, oorlogen, oneerlijke concurrentie in de wereldeconomie, en er zijn vele andere. Ik hoop met dit onderzoek deze oplossing tot iets tastbaarders heb gemaakt dan het utopische idee dat het tot nu toe is.

Master’s Thesis in Applied Ethics
Utrecht University
Supervisor: dr. Stephen Riley
Second examiner: dr. Frans Brom
Submitted 30 – 06 – 2014
Graded a 7.5.

View the document on Academia.edu (alternative link)

Abstract
In this thesis I investigate the moral contents of the concept of privacy, moral contents interpreted broadly as those elements that directly concern value or a moral obligation or right, as well as those that concern the preconditions for a moral framework, and the concept of privacy understood, wherever it cannot be understood in the abstract, as it is used (in all its variety) in contemporary liberal societies.

Firstly I adopt Daniel Solove’s view that the concept of privacy is better understood in terms of family resemblance than in terms of necessary and sufficient conditions, as well as that privacy’s value is instrumental rather than intrinsic. This also leads me to the view that the moral content of privacy does not include moral obligations or rights. The concept of ‘privacy’ has no fixed content, and consequently no normative content in the sense of explicit obligations or rights. The moral content of privacy, I argue, is to be found in the existing moral frameworks that presume it. I investigate two specific moral frameworks, those of German philosopher Immanuel Kant and British philosopher and politician John Stuart Mill. In the first place, I choose specifically these frameworks because Kant and Mill have been, each in their own way, major influences not only on ethical theory, but also on the development of liberalism. Although their ideas of individual liberty and especially its relation to the state were in several respects controversial in their own times, they have been influential on and are still strongly connected to ours, that is. I link their thoughts with the different existing types of privacy (as stipulated by Finn et al.). Discussing their works, I establish two theses about the moral content of the concept of privacy.

The Kantian thesis: insofar privacy violations (as privacy violations) force a will, physically or psychologically, in its operation, and insofar privacy violations (as privacy violations) performed by the state have as a consequence that that state is no longer a means to (or: enables) freedom, Kant’s moral framework provides us with a moral reason to forbid these violations.

The Millian thesis: insofar privacy violations (as privacy violations) harm rather than promote total utility, and insofar privacy violations (as privacy violations) interfere with the sphere of liberties of a person who does not do harm to others, Mill’s moral framework provides us with a moral reason to forbid these violations.

These theses are structured alike, inquiring firstly about the consequences of the privacy violation itself, secondly about the privacy violation being performed legitimately or not, and then, thirdly, establishing whether the literature applies to it. For both frameworks, I argue, the most fruitful path is that of investigating the moral legitimation of state authority, and Kant’s and Mill’s positions can be seen as converging on at least one point, namely that they are able to show that certain specific privacy violations are wrong, not because the acts are wrong in themselves, but because of their context: the violator is the state operating outside of its moral authority.

In chapter four, I show that governments are actually violating all types of privacy (although some on a larger scale than others), and that there is thus a conflict between current practices and the moral frameworks discussed (regardless of the differing arguments underlying those positions). This suggests that certain justifications of privacy violations (like the general motivation of the protection of public health and safety) are not sufficient and should be given more substance. Governments should put more effort in demonstrating why certain privacy violations are needed, and why they weigh up against the interference with individual liberties. A rough sketch of such a proposal would be:

  1.   Assure that privacy violations are happening overtly, i.e. assure that citizens know or can know in general terms what kinds of privacy are violated and why, and do not want to find out afterwards that our governments were operating a massive espionage programme on their own citizens.
  2. Assure that privacy violations for the protection of public health and safety are non-discriminatory, i.e. assure that individuals or groups are targeted because there are strong reasons for seeing them as threats (to public health and safety, to the freedoms of others, etc.), not for any other reason.
  3.   Assure that if privacy is violated, it is done according to public laws.
  4.   Assure that privacy, if it is violated, is violated within the moral authority of the state.

Mind that this is only a rough sketch, and additionally, only concerns privacy violations by states, not by businesses. I hope my findings in this thesis can contribute to shining a light on the moral content of privacy violations by businesses in the future.